biets

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • biets

Werkwoord

vervoeging van
bietsen

biets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bietsen
    • Ik biets. 
  2. gebiedende wijs van bietsen
    • Biets! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bietsen
    • Biets je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.