bietensla

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bie·ten·sla
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bietensla
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bietensla v/m [1]

  1. (voeding) een salade gemaakt van rode bieten
    • Na de voorstelronde – ‘O, ik wist niet dat we ook gojim konden uitnodigen' – stelde ik me op bij de tafel met hummus en bietensla, en beperkte me tot het afluisteren van gesprekken. [2] 
    • Want al gaan we morgen aan de organische zelfgekweekte bietensla, dan nog lopen we het risico dat er overmorgen weer iets is gebleken. Mijn advies? Geniet van elke dag en pluk het leven met volle teugen!!! [3] 
    • In zowel de grote bonken rubberige gefrituurde seitan (tarwegluten, € 5) als in bijna alle bijgerechten zit zo godallejezus veel komijn dat we de nacht erna boeren alsof we allebei een Kapsalon op hebben. De hoofdgerechten hebben het probleem dat veel vegetarische hoofdgerechten hebben, namelijk dat het eigenlijk geen gerechten zijn - eerder een muffig ratjetoe. Een koolslaatje zit erbij, een bietensla, bulgur en vooruit: heel goede bruine rijst. [4] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 13 APRIL 2013 Echte Nederlandse Joden
  3. De Telegraaf ODETTE SCHOONENBERG 28 okt. 2015 Bloed, zweet & Johan Cruijff
  4. Het Parool HISKE VERSPRILLE 30 DECEMBER 2013 De Vliegende Schotel (4)