biels

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • biels
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dwarsligger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord biels bielzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biels v/m

  1. (spoorwegen) houten dwarsligger gebruikt bij aanleg van spoorwegen
  2. (verouderd). meervoud van biel (zelfde betekenis)
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

biels mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord biel

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen