bieloupe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /biːlɒʊpɐ/ (Etsbergs)
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bieloupe
leep bie
bieloupe
klasse 7 volledig

Werkwoord

bieloupe

  1. tijdens het afleggen van een bepaald traject elkaar naderen
  2. inhalen (van een auto)