bidet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·det
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zitbad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bidet bidets
verkleinwoord bidetje bidetjes

Zelfstandig naamwoord

bidet m/o

  1. zitwasbak voor het wassen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet
    • De luxe badkamer heeft twee wastafels, een ligbad, toilet en een bidet. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
bidet bidets

Zelfstandig naamwoord

bidet

  1. bidet


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bidet     le bidet     bidets     les bidets  

Zelfstandig naamwoord

bidet

  1. pony
  2. bidet