bibberend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bib·be·rend

Werkwoord

vervoeging van: bibberen
verbogen vorm: bibberende

bibberend

  1. onvoltooid deelwoord van bibberen
    • Bibberend van de kou stond ze langs de snelweg, met een telefoon in haar handen. Ze had grote moeite om iemand van de ANWB te pakken te krijgen. "Ik stond ruim een halfuur in de wacht, toen opeens de hoorn erop werd geflikkerd!", vertelt ze verontwaardigd. [1] 
stellend
onverbogen bibberend
verbogen bibberende
partitief bibberends

Bijvoeglijk naamwoord

bibberend

  1. rillend, trillend
    • Deze zondag heeft Fabian de Goede (28) zijn handen vol aan twee bibberende cavia's Doutzen en Yari, vernoemd naar het topmodel en de acteur uit Gooische Vrouwen. [2] 
    • Volgens de getuige moesten de opvarenden een sprong van een meter of drie wagen om het vege lijf in veiligheid te brengen. Met het water tot aan hun middel moesten de geschrokken passagiers naar de kant waden. Jandali, zijn familie en toegesnelde buren brachten de bibberende passagiers handdoeken, droge sokken en water. "Ze hadden het zo koud." [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Tubantia S. Quekel 1 maart 2018 'Gouden' ANWB-lid wacht uren in extreme kou op wegenwacht
  2. Tubantia H. van Houwelingen 29 december 2017 Zo komen kat, hond én cavia stressvrij de jaarwisseling door
  3. Tubantia D. van der Heeden 15 januari 2018 Vrouw overlijdt bij grote brand op 'casinopontje' in Florida