biatlon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·at·lon
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘combinatie van langlauf en schieten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1960 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord biatlon biatlons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biatlon m

  1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer op een doel moeten schieten
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

biatlon monbezield

  1. (sport) biatlon; een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer op een doel moeten schieten
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /bɪjatlɔn/
Woordafbreking
  • biat·lon

Zelfstandig naamwoord

biatlon monbezield

  1. (sport) biatlon; een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer op een doel moeten schieten
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen