biaisband

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

biaisband
Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·ais·band
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord biaisband biaisbanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biaisband o

  1. een in drieën gevouwen reepje stof: een breder middenstuk met twee naar binnen gevouwen flapjes dat men gebruikt voor het afzomen van een weefsel
     Maak binnenvakjes en werk daarbij de bovenkant van het zakje af met een biaisband.[2]
     Wil je de slabben op hoge temperatuur kunnen wassen, laat dan de handdoek eerst meedraaien met een 60 gradenwas. Het biaisband leg ik eerst in een schaaltje heet water om krimp te voorkomen. Meewassen in de wasmachine kan ook, maar je hebt grote kans dat de vouw dan uit de stof gaat.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. biaisband op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Roosmarijn Reijnoudt “Naai een toilettas” (13-06-2018), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron Roosmarijn Reijnoudt “Lekker morsen op een homemade slab” (08-09-2018), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be