bezoldigen
Uiterlijk
- Geluid: bezoldigen (hulp, bestand)
- be·zol·di·gen
- In de betekenis van ‘salaris geven’ voor het eerst aangetroffen in 1642 [1]
- afgeleid van het Duitse besolden (met het voorvoegsel be-) [2]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bezoldigen |
bezoldigde |
bezoldigd |
| zwak -d | volledig | |
bezoldigen
- overgankelijk salaris geven aan
- De baas bezoldigde de medewerker.
- Het woord bezoldigen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bezoldigen" herkend door:
| 78 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "bezoldigen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ bezoldigen op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Voorvoegsel be- in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Onscheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 78 %
- Prevalentie Vlaanderen 94 %