bezittend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zit·tend

Werkwoord

vervoeging van: bezitten
verbogen vorm: bezittende

bezittend

  1. onvoltooid deelwoord van bezitten
stellend
onverbogen bezittend
verbogen bezittende
partitief bezittends

Bijvoeglijk naamwoord

bezittend

  1. van iets dat het wat in eigendom heeft
    • Dans der verdoemden (1985) speelt zich af in de herfst van 1975, zo'n anderhalf jaar na de Anjerrevolutie, die een eind maakte aan de dictatuur van Salazar en (later) Caetano en die de maatschappelijke verhoudingen in het feodale Portugal volkomen op hun kop zette. Een deel van de bezittende klasse vluchtte na de revolutie hals over kop naar Spanje of Brazilië. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen