bezetter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zet·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Van de werkwoordsstam bezet met het achtervoegsel -der dat door progressieve assimilatie is veranderd in -ter
  • afgeleid van bezetten met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord bezetter bezetters
verkleinwoord bezettertje bezettertjes

Zelfstandig naamwoord

bezetter m

  1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
    • De bezetter was bezig het veel te nationalistische Nationaal Front buiten spel te zetten.[1] 
     Volgens de overlevering vluchtten meisjes uit Plancher-Les-Mines gedurende de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) de bossen in om te ontkomen aan bloeddorstige huurlingen in dienst van de Zweedse bezetter.[2]
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

bezetter

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van bezet

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. http://www.waffen-ss.nl/vwl-opr.php
  2. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be