bezetsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zet·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezetsel bezetsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bezetsel o

  1. (bouwkunde) middel om een muur glad af te werken zodat ze later beschilderd of behangen kan worden
Synoniemen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie