bezending

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zen·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezending bezendingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bezending v [2]

  1. het als gezant, zendeling of missionaris uitgezonden worden
     In Batavia ging Holckenburgh vooral voor op de schepen die in de haven lagen. Na ongeveer twee maanden hoorde hij dat hij op Ceylon geplaatst zou worden. Hij nam „zijn bezending” volgens de notulen aan „met aangenaamheid.” Het echtpaar Holckenburgh reisde naar de nieuwe standplaats Colombo.[3]
  2. grote hoeveelheid
Synoniemen

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. bezending op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron dr. Henk Florijn “Een vergeten dominee in een onbekend handschrift” (30-08-2018), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be