bezeilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zei·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezeilen
bezeilde
bezeild
zwak -d volledig

Werkwoord

bezeilen

  1. overgankelijk met een zeilboot of -schip bevaren
    • Hij bezeilde alle wereldzeeën. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er viel geen land met hem te bezeilen.
Hij was volledig onhandelbaar.

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.