bezönjige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /bɐˈzœɲɪɣɐ/ (Etsbergs)
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezönjige
bezönjigdje
bezönjig
zwak volledig

Werkwoord

bezönjige

  1. overtreden