bevreemden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vreem·den
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van vreemd met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevreemden
bevreemdde
bevreemd
zwak -d volledig

Werkwoord

bevreemden [2]

  1. overgankelijk (formeel) verbazen, verwonderen
     De nonchalance die uit haar woorden en lichaamstaal sprak, bevreemdde Chantal.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen