bevolkingscijfer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vol·kings·cij·fer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bevolkingscijfer bevolkingscijfers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bevolkingscijfer o [1]

  1. cijfer dat aangeeft hoe groot de bevolking is
    • De meeste onopgeloste moorden vonden plaats in Irak: 34 in tien jaar tijd. Maar als we ook rekening houden met de bevolkingscijfers, voert Somalië voor het derde jaar op rij de ranglijst aan. De voorbije tien jaar werden er in Somalië 26 journalisten vermoord zonder reactie van de overheid.[2] 
    • Nederland is zeer zeker geen kruitvat dat elk moment kan ontploffen, stelt demograaf Jan Latten van het CBS. Nederland is aan het veranderen. Bevolkingscijfers laten dat al langer zien. Migratie is de voornaamste reden dat het aantal inwoners stijgt.[3] 
    • Het Turkse staatshoofd, zelf vader van vier kinderen, is al geruime tijd bezig met een campagne om het Turkse geboortecijfer op te krikken. Daarmee wil hij de vergrijzing in zijn land een halt toeroepen. De inspanningen lijken hun effect niet te missen: het Turkse bevolkingscijfer is de laatste jaren exponentieel gestegen tot ongeveer 79 miljoen inwoners.[4] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 03/NOVEMBER/2017 door jaz
  3. Tubantia Raymond Boere 12-APRIL-2017
  4. Volkskrant 30 mei 2016