bevlogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vlo·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
bevliegen

bevlogen

  1. meervoud verleden tijd van bevliegen
    • Wij bevlogen. 
    • Jullie bevlogen. 
    • Zij bevlogen. 
  2. voltooid deelwoord van bevliegen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bevlogen bevlogener bevlogenst
verbogen bevlogenste
partitief bevlogens bevlogeners -

Bijvoeglijk naamwoord

bevlogen

  1. met grote passie, met veel inspiratie, met grote ijver
    • Hij was een bevlogen medewerker bij artsen zonder grenzen. 
    • Hij hield een bevlogen speech om zijn politieke idealen te promoten. 

Bijwoord

bevlogen

  1. met groot enthousiasme
     Het was prachtig om te horen hoe bevlogen Scrambler over Grandma Gatewood vertelde en hoe hij ervan droomde om ook ooit met zo’n lichte uitrusting te lopen.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be