bevliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevliegen
bevloog
bevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

bevliegen

  1. overgankelijk vliegend iets bezoeken
    • De bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur 's morgens (wintertijd). 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be