bevlekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vlek·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van vlek met het voorvoegsel be-

Werkwoord

bevlekken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevlekken
bevlekte
bevlekt
zwak -t volledig
  1. iets voorzien van vlekken
    • Biosynthetisch indigo is niet het eerste textiel-produkt van Genencor. Het bedrijf maakte al enzymen voor het minder stug maken en het bleken en opzettelijk bevlekken van denim spijkerbroeken (lijkend op 'stone washing') en is daarmee een belangrijke concurrent geworden van ondernemingen als Gist Brocades en Novo Nordisk.[2] 
  2. iemands goede naam aantasten
    • Met overjarige volkshelden loopt het altijd slecht af. Uiteindelijk raspen ze zelf hun legende in opspelende kwaaltjes van de erfzonde. Ineens zie je hoe vrekkig ze zijn, hoe onbetrouwbaar in vriendschappen, hoe lomp in het egoïsme. Van Hanegem was lang een merk in het Nederlandse voetbal, een soort volkssoevereiniteit in zijn eentje. Niet een man die zich laat bevlekken met franje van patsers en yuppen. Al even rectaal van oneliner als Rita Verdonk. In alles wat hij zei, schemerde de heibel van nurkse volkstuindialoogjes. Zijn botheid was hem vergeven, want: gevoelige jongen, toch?[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jan Libbenga 30 maart 1995
  3. NRC Hugo Camps 1 november 2008