bevingen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vin·gen

Zelfstandig naamwoord

bevingen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord beving

Werkwoord

vervoeging van
bevangen

bevingen

  1. meervoud verleden tijd van bevangen
    • Wij bevingen. 
    • Jullie bevingen. 
    • Zij bevingen.