beuker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beu·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beuker beukers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beuker m [2]

  1. (sport) een heel sterke sporter met veel karakter maar met weinig techniek
    • Kazachstan bleek in de eerste set een taaie tegenstander. Met Anarkulova had de ploeg een hele handige aanvalster en met diagonaal Mudritskaya een ouderwetse beuker. [3] 
    • Juvat gaat afwachtend de ring in. „Je moet heel goed kijken naar je tegenstander een daar op reageren”, geeft hij een beetje van zijn tactiek prijs. „Daarop pas ik mijn plannetje aan.” De danser en acteur geniet vooral van de uitdaging die Boxing Stars hem biedt. „Ik vind het ontzettend leuk, de uitdaging, je tanden in iets nieuws zetten. Dan ben ik echt een beuker.” [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen