betwistten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·twist·ten

Werkwoord

vervoeging van
betwisten

betwistten

  1. meervoud verleden tijd van betwisten
    • Wij betwistten. 
    • Jullie betwistten. 
    • Zij betwistten.