betuttelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tut·te·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kleine verbeteringen aanbrengen’ voor het eerst aangetroffen in 1632 [1]
  • afgeleid van tuttelen met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betuttelen
betuttelde
betutteld
zwak -d volledig

Werkwoord

betuttelen [3]

  1. overgankelijk paternalistisch, bemoeizuchtig, vitterig behandelen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen