betitelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ti·te·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van titel met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betitelen
betitelde
betiteld
zwak -d volledig

Werkwoord

betitelen

  1. overgankelijk soms in negatieve zin een naam of classificatie aan iets hechten
    • Zo werd Obama door de oppositie als de grootste voedselcoupon-president betiteld. 
     Hun relatie zou door anderen waarschijnlijk als ‘koel’ betiteld worden.[1]
     Het was ronduit belachelijk om Jeroen zo te betitelen.[1]

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be