beterschap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ter·schap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beterschap -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

beterschap v

  1. een verbeterde toestand na ziekte
    Ik wens je beterschap na de operatie.
  2. beterschap beloven: zeggen dat je het in de toekomst beter gaat doen
    De dief beloofde met tranen in de ogen beterschap, maar de rechter geloofde hem niet wat dit was de tiende keer dat deze boef veroordeeld werd.
Verwante begrippen
Vertalingen