betel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘blad van plant waarop men kauwt’ voor het eerst aangetroffen in 1596 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord betel betellen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

betel v / m [3]

  1. (plantkunde) (specerij) Piper betle op Wikispecies Aromatische, antibacteriële, stimulerende kruidachtige klimplant met halfverhoute stengels, glanzende tot 15 cm lange spitse bladeren en vlezige vruchten. Betelbladeren zijn goed voor het immuunsysteem.
    Bruikbare delen zijn de bladeren en de olie. De bladeren smaken enigszins naar kruidnagelen. Ze worden voornamelijk gebruikt om ze om betelnoten van de betelpalm Areca catechu op Wikispecies te wikkelen en die dan op te kauwen.
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen