betaamde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·taam·de

Werkwoord

vervoeging van
betamen

betaamde

  1. enkelvoud verleden tijd van betamen
    • Ik betaamde. 
    • Jij betaamde. 
    • Hij, zij, het betaamde. 
    • Het betaamde hem niet zoiets te zeggen. 
  2. verbogen vorm van betaamd, voltooid deelwoord van betamen

Gangbaarheid