bestralen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bestralen bestralend
bestraling bestraald
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stra·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestralen
bestraalde
bestraald
zwak -d volledig

Werkwoord

bestralen

  1. overgankelijk aan straling blootstellen
    • Als iets bestraald wordt, gebeurt dat meestal met gamma- of röntgenstraling. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.