bestraffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bestraffen bestraffend
bestraffing bestraft
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·straf·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestraffen
bestrafte
bestraft
zwak -t volledig

Werkwoord

bestraffen

  1. overgankelijk straf uitdelen aan iemand
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.