bestieren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stie·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘leiden’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord stieren (sturen) met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bestieren
bestierde
bestierd
zwak -d volledig

Werkwoord

bestieren

  1. overgankelijk iets richting geven of besturen
  2. iemand leiden, richten of besturen
    • Ze bestierde haar gezin als ware het haar koninkrijk. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen