bespeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[2] bespeler van een lamellofoon
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spe·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bespeler bespelers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bespeler m [1]

  1. iets of iemand die gebruik maakt van een (sport)faciliteit
    • Feyenoord is bij monde van algemeen directeur Jan de Jong blij dat ‘dankzij bereidwillige medewerking van KNVB, VVV Venlo en de gemeente’ vandaag al een datum kon worden bepaald voor het inhalen van de wedstrijd. ,,Als bespeler van het stadion willen we natuurlijk zekerheid dat dit niet nog eens kan gebeuren’, benadrukt hij nog maar eens. [2] 
    • Het Estadio Nacional Julio Martínez Prádanos (48.665 plaatsen) in Santiago is aangewezen als locatie voor de finale. Het stadion, dat geen vaste bespeler heeft, werd geopend in 1938 en voor het laatst gerenoveerd in 2010. [3] 
  2. iemand die een muziekinstrument gebruikt om er muziek mee te maken
    • Toeterix-bespeler Toby Rix (97) overleden: Entertainer Toby Rix (97) is overleden. De muzikant maakte in de jaren vijftig, zestig en zeventig furore met zijn optredens met zijn speciale, zelfgemaakte instrument: de toeterix, samengesteld uit onder meer claxons en bellen. [4] 
    • Vorst Jos (55) runt zijn eigen bedrijf JB Renovatie en woont samen met zijn vriendin Monique Elsjan. Sik Ronald (49) werkt bij HPC-Hydraulics en is getrouwd met Petra. In 2005 waren de rollen omgekeerd, toen was Ronald hoogheid en Jos sik. Jos Bruns was ook jarenlang regent van de vereniging en bespeler van de grote trom. [5] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen