besnaren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sna·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van snaar met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besnaren
besnaarde
besnaard
zwak -d volledig

Werkwoord

besnaren

  1. overgankelijk voorzien van snaren
    • Ik moet mijn racket dringend opnieuw laten besnaren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.