besmeuren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smeu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van smeer met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besmeuren
besmeurde
besmeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

besmeuren

  1. overgankelijk insmeren met iets om vies te maken
    De jongens hebben het fietszadel besmeurd met hondenpoep als kwajongensstreek.
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl