beslommering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slom·me·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beslommering beslommeringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beslommering v

  1. iets waarover je veel zorgen hebt
    • Helaas stelt Het fluïde tijdperk na dat veelbelovende begin teleur. Net als in zijn autobiografische roman Worst (2014) - een allegaartje van worstweetjes, gelardeerd met persoonlijke beslommeringen - stort Jongstra in deze bundel een wastobbe over de lezer uit van kunsthistorische en literaire feiten, zelfcitaten uit eerdere boeken en wel of niet gefingeerde, maar volstrekt oninteressante terzijdes met zijn nieuwe geliefde Erminie en nog veel meer.[3] 
  2. bezigheid met wat zorg
    • Dat hoogste punt in Maslows ‘piramide van behoeften’ is maar weinig gegeven, ziet hij in zijn onderzoek. Voor de meeste mensen nemen de dagelijkse beslommeringen rond geld, zorg voor het gezin, of de ratrace op het werk al zo veel tijd en energie in beslag dat dromen en idealen al snel naar de achtergrond verdwijnen.[4]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen