beslisten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slis·ten

Werkwoord

vervoeging van
beslissen

beslisten

  1. meervoud verleden tijd van beslissen
    • Wij beslisten. 
    • Jullie beslisten. 
    • Zij beslisten.