beslis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slis

Werkwoord

vervoeging van
beslissen

beslis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beslissen
    • Ik beslis. 
  2. gebiedende wijs van beslissen
    • Beslis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beslissen
    • Beslis je? 


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
beslis
beslis
volledig

Werkwoord

beslis

  1. beslissen
stellend attributief
beslis besliste

Bijvoeglijk naamwoord

beslis

  1. beslist