Naar inhoud springen

beschroomdheid

Uit WikiWoordenboek
  • be·schroomd·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord beschroomdheid
verkleinwoord

debeschroomdheidv

  1. het op een wat angstige manier verlegen zijn
     Hij heeft ook die laatste tijd vaak over jou gesproken, zei ze, terwijl haar blik van Pierre naar haar gezelschapsdame gleed met een beschroomdheid die Pierre even trof.[1]
  1. “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028251151