beschreef
Uiterlijk
- be·schreef
| vervoeging van |
|---|
| beschrijven |
beschreef
- enkelvoud verleden tijd van beschrijven
- Ik beschreef.
- Jij beschreef.
- Hij, zij, het beschreef.
- Ik beschreef.
- ▸ Quick beschreef niet precies tot in detail wat er gebeurde toen ze in Engeland aankwam, maar ze moet op Reedes verzoek om naar Whitehall te komen, zijn ingegaan.[1]
- ▸ Al in de derde eeuw na Christus beschreef Augustinus een baby die nog niet kon praten, maar die 'met een bleek gezicht en een nijdige blik' naar zijn broertje keek, dat de melk van zijn moeder deelde.[2]
- Het woord beschreef staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697