beschoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·scho·ren
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beschoren - -
verbogen - - -
partitief beschorens - -

Bijvoeglijk naamwoord

beschoren

  1. dat geluk was hem niet beschoren: dat geluk had hij niet
    • Hij wilde de baan krijgen maar helaas dat geluk was hem niet beschoren. 
  2. een lang leven beschoren zijn: iets dat lang leeft of blijft bestaan
    • Het plan om een nieuwe auto te kopen was geen lang leven beschoren want ik raakte mijn rijbewijs kwijt. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen