beroven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
beroven berovend
beroving beroofd
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ro·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van roven met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beroven
beroofde
beroofd
zwak -d volledig

Werkwoord

beroven

  1. overgankelijk iemand met geweld zijn bezit ontnemen
    • Zij werden plotseling aangevallen en beroofd van al hun bezittingen. 
  2. iemand het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets
    • Hij beroofde zijn ouders van hun zondagsrust. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.