beroepstaaltje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roeps·taal·tje

Zelfstandig naamwoord

beroepstaaltje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beroepstaal