beroeper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roe·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beroeper beroepers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

beroeper m

  1. (informeel) iemand die in beroep gaat, een appellant
Verwante begrippen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders
40 % van de Vlamingen.