bereidt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·reidt

Werkwoord

vervoeging van
bereiden

bereidt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiden
    • Jij bereidt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiden
    • Hij bereidt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bereiden
    • Bereidt!