berceau

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

2 berceaus (gereedschap)
Uitspraak
Woordafbreking
  • ber·ceau
Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Frans berceau 'wieg', voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord berceau berceaus
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

berceau m [2]

  1. loofgang, een pad waarbij aan beide zijden heggen staan, die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat
  2. prieel
  3. (gereedschap) halfcylindervormig werktuig, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt
Synoniemen

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ber·ceau
Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Oudfrans berçuel 'wieg', ontwikkeld uit het volkslatijn berciolum, een verkleinvorm van bertium (> bers).
  • Volkslatijn bertium is waarschijnlijk een adaptatie van een (niet-geattesteerde) Gallische vorm *berta (vergelijk Iers bertaim 'ik schud')

Zelfstandig naamwoord

berceau m

  1. wieg
  2. (figuurlijk) geboorteplaats
  3. (tuinieren) loofgang
  4. (bouwkunde) wiegvormige boog
  5. (gereedschap) halfcylindervormig werktuig, waarmee een gepolijste koperen plaat ruw gemaakt wordt

Verwijzingen