beraad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·raad
enkelvoud meervoud
naamwoord beraad (beraden)
verkleinwoord (beraadje) (beraadjes)

Zelfstandig naamwoord

beraad o [1]

  1. overweging, overleg
    • Toen het ongeluk gebeurde moest er snel beraad gevoerd worden met alle hulpdiensten. 
  2. na rijp beraad: na uitgebreid nagedacht te hebben
    • Na rijp beraad werd besloten hem te ontslaan 
  3. in beraad houden: nog niet direkt beslissen
    • Wij zullen uw offerte in beraad houden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beraden

beraad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beraden
    • Ik beraad. 
  2. gebiedende wijs van beraden
    • Beraad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beraden
    • Beraad je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord beraad berade

Zelfstandig naamwoord

beraad

  1. beraad, overleg, conferentie
    «Ek wonder hoeveel koolstof word die lug ingestuur deur sulke nuttelose internasionale berade
    Ik vraag me af hoeveel koolstof er de lucht ingaat door dit soort nutteloze internationale conferenties.