beraad

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·raad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beraad (beraden)
verkleinwoord (beraadje) (beraadjes)

Zelfstandig naamwoord

beraad o

  1. zorgvuldige gezamenlijke of innerlijke afweging van feiten en meningen
    • Toen het ongeluk gebeurde moest er snel beraad gevoerd worden met alle hulpdiensten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • na rijp beraad
    na uitgebreide discussie of overdenking
• Na rijp beraad werd besloten hem te ontslaan. 
  • in beraad houden
    nog niet onmiddellijk beslissen over
• Wij zullen uw offerte in beraad houden. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beraden

beraad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beraden
    • Ik beraad. 
  2. gebiedende wijs van beraden
    • Beraad! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beraden
    • Beraad je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord beraad berade

Zelfstandig naamwoord

beraad

  1. beraad, overleg, conferentie
    «Ek wonder hoeveel koolstof word die lug ingestuur deur sulke nuttelose internasionale berade
    Ik vraag me af hoeveel koolstof er de lucht ingaat door dit soort nutteloze internationale conferenties.