bepruiken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·prui·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van pruik met het voorvoegsel be-

Werkwoord

bepruiken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bepruiken
bepruikte
bepruikt
zwak -t volledig
  1. iets (met name een hoofd) bedekken met een kunstmatig haarstuk

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.

Verwijzingen