bepotelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·po·te·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bepotelen
bepotelde
bepoteld
zwak -d volledig

Werkwoord

bepotelen [1]

  1. overgankelijk (informeel) (België ??) betasten
    • Wilt u ophouden met mij te bepotelen? 

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen