bepleiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·plei·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bepleiter bepleiters
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bepleiter m

  1. ijveraar
Synoniemen
Verwante begrippen

Bijvoeglijk naamwoord

bepleiter

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van bepleit

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.