beoefenaartje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·oe·fe·naar·tje

Zelfstandig naamwoord

beoefenaartje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beoefenaar